4 februari 2016

De digitale overheid is niet vrijblijvend

image for De digitale overheid is niet vrijblijvend image

Nu inwoners en ondernemers vanaf 2017 het recht krijgen om langs digitale weg zaken te doen met de overheid, zullen (alleen) de voorzieningen uit de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) nog worden gebruikt. Sterker nog: dat gebruik is niet langer vrijblijvend, maar wordt in de Wet GDI verplicht gesteld. De uitgangspunten voor deze wet, die de komende jaren gefaseerd zal worden doorgevoerd, zijn op 4 december in een brief aan de Tweede Kamer, aan het parlement voorgelegd.1

Nu inwoners en ondernemers vanaf 2017 het recht krijgen om langs digitale weg zaken te doen met de overheid, zullen (alleen) de voorzieningen uit de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) nog worden gebruikt. Sterker nog: dat gebruik is niet langer vrijblijvend, maar wordt in de Wet GDI verplicht gesteld. De uitgangspunten voor deze wet, die de komende jaren gefaseerd zal worden doorgevoerd, zijn op 4 december in een brief aan de Tweede Kamer, aan het parlement voorgelegd.1

Fundament
De uitgangspuntenbrief is ondertekend door de minister van BZK, mede namens zijn ambtgenoten van Wonen en Rijksdienst, en van Economische Zaken. Opvallend, want nog maar kort geleden werkten de ministeries van BZK en EZ aan afzonderlijke wettelijke voorzieningen voor burgers, respectievelijk bedrijven. De Wet generieke digitale infrastructuur (GDI) is nodig om de digitalisering van de dienstverlening van de overheid aan inwoners, maatschappelijke organisaties én ondernemers te harmoniseren. Met de Wet GDI wordt de toegankelijkheid, de veiligheid, de betrouwbaarheid en de privacybescherming met betrekking tot digitale dienstverlening, gewaarborgd. De generieke digitale infrastructuur is het verbindend en ondersteunend fundament van de digitale overheid die op die basis uitvoeringsprocessen op elkaar kan afstemmen, haar informatie makkelijk vindbaar en toegankelijk kan maken en digitale transacties eenvoudig kan uitvoeren. “Door gebruik te maken van generieke voorzieningen wordt de dienstverlening anders en beter georganiseerd, waardoor het geheel efficienter wordt. Versnippering van de digitale overheid wordt tegengegaan door gebruik van generieke digitale voorzieningen”, zo valt te lezen in de toelichting.
In beginsel worden alle bestuursorganen verplicht om aan te sluiten op de GDI-voorzieningen die in de Wet GDI functioneel worden aangeduid en in AMvB’s nader zullen worden gespecificeerd. De wet stelt regels over de manier waarop overheidsinformatie digitaal moet worden ontsloten, berichten veilig digitaal moeten kunnen worden verzonden, en overheden inwoners en ondernemers betrouwbaar kunnen identificeren en autoriseren voor toegang tot de digitale diensten van de overheid. Voor inwoners en ondernemers ligt daarmee eenvoudige, snellere en betere dienstverlening tegen lagere administratieve lasten in het verschiet. Voor de overheden en de partners waarmee in ketenverband wordt samengewerkt, heeft de wet als consequentie zij hun (keten)processen moeten aanpassen, de onderliggende ICT-systemen op de GDI-voorzieningen moeten aansluiten en in sommige gevallen hun eigen voorzieningen moeten uitfaseren.

Verplichtend
De Wet GDI heeft een verplichtend karakter, maar de verplichtingen gaan geleidelijk in. Aansluiting en fasering zal in overleg met betrokken overheden plaatsvinden. Bepaalde bestuursorganen, of processen van bestuursorganen, kunnen (tijdelijk) worden uitgezonderd: “Het kan wenselijk zijn, om bepaalde (processen van) bestuursorganen (bijv. bepaalde processen bij het OM en politie, en bestuursorganen zonder openbaar gezag) van de werkingssfeer van deze wet uit te sluiten, indien het vanwege het ontbreken van praktische betekenis niet in de rede ligt dat zij de bepalingen toepassen. Ook van bijvoorbeeld veiligheidsdiensten ligt het mogelijk in de rede dat zij buiten de werkingssfeer van deze wet vallen”, zo staat het in de uitgangspuntenbrief. Maar de verplichtingen die de minister van BZK kan opleggen staan voorop; de noodzaak om (tijdelijke) uitzonderingen toe te staan moet van geval tot geval worden aangetoond.

Als daar te vaak en te gemakkelijk aan wordt toegegeven, dan valt de digitale overheid weer terug in het voorbije stadium van vrijblijvendheid. Dan worden inwoners en ondernemers, maar ook medeoverheden, semioverheden en de sociale en maatschappelijke partners van de overheid, weer geconfronteerd met verschillende voorzieningen, met steeds weer andere gebruiksaanwijzingen. Dan worden de beoogde voordelen van interoperabiliteit, eenvoud en kostenreductie, gemist. Dan zal de Wet GDI binnen de overheid aan kracht verliezen en zal haar werkingsgebied zich niet kunnen uitstrekken tot eerst de hele publieke sector en uiteindelijk de hele maatschappij.

Een andere mogelijk zwakke plek in de uitgangspuntenbrief is de passage over ‘non-exclusiviteit’: “De verplichting voor bestuursorganen laat de mogelijkheid onverlet dat bestuursorganen naast de voorzieningen van de GDI ook andere voorzieningen gebruiken in de communicatie met burgers en bedrijven.” Weliswaar gelden daarvoor, “om de eenduidigheid ten aanzien van veiligheid en interoperabiliteit van de GDI en andere voorzieningen te waarborgen, dezelfde eisen met betrekking tot veiligheid en interoperabiliteit als voor de GDI”. Maar het gevaar van versnippering en kostenverhoging ligt hier op de loer.

In tranches
Er is dus nog een lange en onzekere weg te gaan. De Wet GDI zal in tranches gefaseerd worden doorgevoerd. In de eerste tranche komen zaken aan bod met de grootste en snelst realiseerbare bijdrage aan de beleidsdoelstellingen van de digitale overheid. Het betreft rechten, verplichtingen en bevoegdheden met betrekking tot identificatie, authenticatie en machtiging, zodat burgers en bedrijven eenduidig en controleerbaar toegang tot de overheid krijgen. De Digicommissaris dringt hier sterk op aan: op het gebied van identificatie en autorisatie is het afgelopen jaar te weinig voortgang gemaakt en dreigt Nederland internationaal achterop te raken. Juist zaken als identificatie en autorisatie als ook privacybescherming dienen, als algemeen randvoorwaardelijk, eerst en vooral goed te zijn geregeld. Verder gaat de eerste tranche van de Wet GDI vooral over de ontsluiting van algemene overheids- en persoonsgebonden informatie, over standaarden, over de inrichting van informatieveiligheid en het toezicht daarop.

In de uitgangspuntenbrief worden de volgende onderdelen van de eerste tranche beschreven:

  • eenduidige toegang tot de algemene overheidsinformatie;
  • eenvoudig overzicht over persoonsgebonden informatie;
  • eenduidige elektronische toegangsvoorzieningen;
  • verplichting pas-toe-of-leg-uitlijst (de procedure voor het verplicht stellen van standaarden; opvallend is dat hier de webrichtlijnen expliciet worden genoemd);
  • samenhang met andere wetsvoorstellen, zoals de wijziging van de Algemene wet bestuursrecht.2

Op deze onderdelen zullen nog voor eind 2016 de nodige wetsvoorstellen aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

kees.duijvelaar@gmail.com, Kees Duijvelaar is redactielid van Od.



Noten
 
1 De uitgangspuntenbrief is te vinden op https://vng.nl/files/vng/20151215-uitgangspunten-generieke-digitale-infrastructuur.pdf
2 Zie het overzicht in ‘Digitaal op weg naar 2020’, Od 2015, nr. 6.