1 november 2009

Standaarden voor interoperabiliteit binnen de e-overheid (4)

image for Standaarden voor interoperabiliteit binnen de e-overheid (4) image

Als u begrijpt wat ik bedoel …

Als u begrijpt wat ik bedoel …
Deze gevleugelde woorden van Olivier B. Bommel drukken precies uit waar het bij semantische interoperabiliteit om gaat. Informatie wordt uitgevraagd vanuit een of meer verschillende contexten en wordt ontvangen en gebruikt in een context die daar weer van verschilt. Een eenvoudig voorbeeld. Een burger meldt bij de gemeente dat hij een boom uit zijn tuin gaat verwijderen. Tien minuten later is zijn tuin gebarricadeerd met strobalen en staat de Explosieven Opruimings Dienst voor de deur. De mede­werker in het callcenter had toch duidelijk verstaan: ik ga een bom uit mijn tuin verwijderen. Het is duidelijk dat hier sprake is van een misverstand. Maar nu vraagt een pensioenfonds, bij de Belastingdienst, naar het inkomen van een burger. ‘Inkomen’ is een samengesteld begrip dat binnen de belastingdienst al verschil­lende betekenissen heeft. Begrijpt de Belastingdienst wel wat dat pensioenfonds ermee bedoelt? Om er zeker van te zijn dat de één begrijpt wat de ander bedoelt, moet bij de uitwisseling van gegevens ook contextinformatie worden uitgewisseld. Maar hoe doe je dat?

Raamarchitectuur
Jeff Rothenberg geldt internationaal als een autoriteit op het gebied van interoperabiliteit en semantiek. In Eerlijk delen betoogt hij dat interoperabiliteit een semantic cross cutting con­cern is. Het brengt met zich mee dat ICT-systemen, en de orga­nisaties die er gebruik van maken, dezelfde interpretaties hante­ren met betrekking tot de informatie die zij uitwisselen en in hun systemen valideren en verwerken. Het éne systeem kan alleen maar ‘weten’ hoe het andere systeem werkt als daar bij de bouw en inrichting van de beide systemen al rekening mee is gehouden. Er zijn goede redenen om dat te doen: interoperabiliteit geeft grotere flexibiliteit, schept nieuwe toepassingsmogelijkheden, leidt tot lagere gebruikskosten en geeft meer gebruiksgemak. Maar het voegt ook extra complexiteit toe als bij de bouw van afzonderlijke systemen, die mogelijk met elkaar moeten kunnen communiceren – want dat is niet altijd te voorzien –, met het gemeenschappelijke belang rekening gehouden moet worden. Het éne systeem wordt complexer en duurder als ook rekening gehou­den moet worden met het andere systeem, terwijl de voordelen voor de eigenaar van het éne systeem daar op zichzelf niet tegen op hoeven te wegen. Het is vanuit één belang moeilijk om te den­ken in termen van, wat Rothenberg noemt, a System of Systems (SoS) die samen werken als één geheel, voor het gezamenlijke belang. Aparte systemen worden niet ontwikkeld vanuit een SoS. Er zullen altijd al aparte systemen zijn, waarvan pas later het nut en de noodzaak van samenwerking wordt onderkend. Achteraf op elkaar aansluiten – retrofitting – kan erg duur zijn en vraagt om standaard interfaces, gemeenschappelijke protocollen en afge­stemde interne procedures. De complexe samenhang kan alleen vanuit een nieuw architectuurperspectief, een raamarchitectuur, worden overzien. De DGA, de Dienstgerichte Architectuur (om de verwarrende term SOA, service oriented architecture, te ver­mijden) biedt daartoe mogelijkheden. Al bestaande (delen van) systemen worden zo ‘ingepakt’ dat zij in andere systemen kunnen worden hergebruikt als ‘diensten’. Vindt de uitwisseling plaats over internet, het world wide web, dan worden die diensten ook wel webservices genoemd. Einde probleem? Nee. Want een DGA veronderstelt een infrastructuur die het vervaardigen, aanbieden, vinden en sturen van diensten ondersteunt, op een wijze die tussen vrager en aanbieder duidelijkheid schept over de functio-naliteit van de diensten en de betekenissen die deze diensten hechten aan de informatie die wordt uitgewisseld. Rothenberg heeft het dan over dynamic semantics. Wanneer, bijvoorbeeld, de term ‘off shore’ wordt gebruikt zullen de diensten verschillende contextinformatie moeten meegeven, afhankelijk van de vraag of het begrip wordt gebruikt in de context van de marine, van oliewinning of van bedrijfsonderdelen in het buitenland. Dit mee­geven van contextinformatie vraagt om toepassing van kunst­matige intelligentie. Een SoS, zo legt Rotherberg uit, moet een semantic interoperability development process model omvatten, dat begrippen voortdurend aanpast al naar gelang de context van het vragende en het leverende systeem. (Eén SoS voor de hele overheid is overigens moeilijk denkbaar, zo heeft Arie Spruit in zijn pleidooi voor een federatieve architectuur, zijn bijdrage aan Eerlijk delen, overtuigend betoogd.)

Contextuele verbijzondering
Rothenberg zal vast gelijk hebben, maar wie begrijpt hem echt en ziet wat er in de praktijk moet gebeuren om semantische interoperabiliteit binnen een systeem van systemen tot stand te brengen? Het stelsel van basisregistraties waar hard aan wordt gewerkt, is op te vatten als een SoS. Semantische interoperabili teit is als wenselijkheid, zo niet als noodzaak, onderkend door het Forum Standaardisatie dat ‘semantiek’ prominent op de interope rabiliteitsagenda heeft geplaatst. Uit een aantal casestudies trekt het Forum onder meer de volgende conclusies:

  • Voorzieningen voor semantische interoperabiliteit voor de e overheid in het algemeen, en voor de realisatie van het Nationaal Uitvoerings Programma (NUP) in het bijzonder, zijn onmisbaar.
  • Er is behoefte aan gecontroleerde betekenisvariëteit bij het gebruik van informatie in verschillende publieke taken.
  • De doelstellingen van de e-Overheid en het NUP vragen om een andere gegevensmodellering, die gecontroleerde ruimte biedt aan een variëteit aan betekenissen en die schaalbaar, uit breidbaar en toekomstvast is.
  • De betekenissen die nu worden gehecht aan authentieke gege vens in de huidige basisregistraties, zijn te smal voor gebruik op de schaal en in de variëteit aan taken die voorkomt in het overheidsdomein.
  • ‘Contextuele verbijzondering’ kan grootschalige variabele bete kenismodellering ondersteunen en mogelijkheden bieden voor beheersbare groei en gebruik.
  • De benadering van ‘contextuele verbijzondering’ sluit goed aan bij de uitgangspunten van de dienstgerichte architectuur.

Rothenberg klinkt duidelijk door in deze conclusies en in de aan bevelingen die het Forum doet om het principe van semantische interoperabiliteit mogelijk te maken met toepassing van ‘contextue le verbijzondering’, en dat principe te verankeren in de Nederlandse Overheid Referentie Architectuur (NORA). Ook moet dat dan wor den toegepast in de ontwikkeling van interoperabiliteit binnen het stelsel van basisregistraties. Dat betekent concreet dat geleidelijk aan een modelleerwijze wordt toegepast die betekenisvariëteit ondersteunt. Deze modelleerwijze moet daartoe een (verplichte) open standaard zijn. Het model is al in vergaande mate ontwikkeld in opdracht van het Bureau Forum Standaardisatie.

Formele methode
Jan van Til gaat in op de Core Component Technical Standard (CCTS). De CCTS definieert een aantal op voorhand bepaalde contextcategorieën. Een specifieke context ontstaat vervolgens door het toekennen van waarden aan vooraf bepaalde eigenschap pen. Die context stuurt tenslotte het ontstaan van uitwisselbare informatiecomponenten die voor elke partij dezelfde betekenis heeft. Deze worden opgenomen in één library. Van Til vraagt zich af of CCTS niet zal vastlopen, wanneer specificaties van nieuwe componenten strijdig zijn met die van bestaande: die worden door het contextmechanisme van CCTS niet opgelost. CCTS voor ziet ook niet in een zodanige governance dat deze strijdigheden worden opgelost in een overleg dat ertoe zal moeten leiden dat iedereen zich kan vinden in de componenten die in die éne library worden opgenomen. En daarom ontwikkelen sectoren hun eigen componenten library. De libraries zelf zijn van de (sector)context afhankelijk. Om die met elkaar te kunnen verbinden zouden de verschillende contexten genormaliseerd moeten worden. Dat lijkt achterhaald en onhaalbaar.
De CCTS mag dan als standaard tekortschieten, toch is er een formele methode ontwikkeld voor contextuele verbijzondering, namelijk metapatroon. Deze methode ziet Van Til als een werke lijke innovatieve methode voor informatiemodellering die rekening houdt met verschillende contexten.

Semantische interoperabiliteit is en blijft een lastig te vangen en toe te passen begrip. Enige relativering is trouwens wel op zijn plaats. Het gaat er uiteindelijk om, dat mensen begrijpen wat ze bedoelen. Yola Park haalt in haar bijdrage de computertaalkundige en schrijver Hugo Brandt Cortius aan: “Wat men ook doet, de semantiek gooit roet.” Wij mogen ons daardoor niet laten ont moedigen het belang van semantische interoperabiliteit verder te doorgronden en de mogelijkheden om ‘contextuele verbijzondering’ toe te passen, verder te verkennen.

 

Kees.duyvelaar@vng.nl


1 Eerlijk zullen wij alles delen, verkenningen naar interoperabiliteit. Sander Zwienink en Pieter Wisse (redactie) met bijdragen van Rex Arendsen, Jochem Baud, Ton van Bergeijk, Wijnand Derks, Frans van den Dool, Nathan Ducastel, Heleen Dupuis, Anne-Wil Duthler, Simone Fennell, Jan Grijpink, Lex Heerink, Lieneke Jongeling, Olf Kinkhorst, Gerard Kramer, Piet van der Kieke, Leo Kuunders, Ben van Lier, Kees Louwerse, Steven Luitjens, Rob Meijer, Og van Megchelen, Thomas Osinga, Paul Oude Luttighuis, Yola Park, Victor de Paus, Matt Poelmans, Peter Potgieser, Jeff Rothenberg, Adrie Spruit, Jan van Til, Peter Waters, Nico Westpalm van Hoorn, Merijn van der Zalm en Arre Zuurmond. Uitgegeven door GBO.Overheid, 2008. ISBN 978-90-79490-02-8.