27 september 2012

De Nederlandse Overigheid

image for De Nederlandse Overigheid image

Een van de beste versprekingen van voormalig journaallezer Philip Freriks (1944) is ongetwijfeld ‘de Nederlandse overigheid’. De timing van zijn verspreking was niet best, want hij deed die, een paar jaar geleden, toen als gevolg van de economische crisis ‘de markt’ juist onder vuur kwam te liggen en ‘de overheid’ weer terrein won. De overheid behoorde niet langer tot het domein ‘overige’, maar vormde op het hoogtepunt van de bankencrisis weer de kern van de macht. Minister van Financiën Wouter Bos mocht/moest verdrinkende bankiers de reddende hand toesteken.

Een van de beste versprekingen van voormalig journaallezer Philip Freriks (1944) is ongetwijfeld ‘de Nederlandse overigheid’. De timing van zijn verspreking was niet best, want hij deed die, een paar jaar geleden, toen als gevolg van de economische crisis ‘de markt’ juist onder vuur kwam te liggen en ‘de overheid’ weer terrein won. De overheid behoorde niet langer tot het domein ‘overige’, maar vormde op het hoogtepunt van de bankencrisis weer de kern van de macht. Minister van Financiën Wouter Bos mocht/moest verdrinkende bankiers de reddende hand toesteken.

Piramidespel
‘Controle’, ‘betrouwbaarheid’ en ‘toezicht’ waren in menig perscommentaar positieve begrippen, daar waar eerder gesproken werd van ‘bemoeizucht’ die vrije ondernemers belemmerde in hun, voor iedereen profijtelijke, zegetocht. ‘De markt’ is – zo meent men nu – ten onder gegaan aan één groot piramidespel, geleid door grote en kleine onverantwoordelijke grabbelaars.
In die stemming heb ik mijn drie deeltjes in de Wereldbibliotheek ‘Het Kapitaal’ van Karl Marx, in 1911-1912 vertaald door SDAP-voorman Frank van der Goes, maar eens uit de kast gehaald. En wat voor een prachtige hoofdstukken lachen ons toe: ‘Het Afgodskarakter van de Waar en zijn geheim’, ‘De geeuwhonger naar meerarbeid’, ‘De strijd om den normalen arbeidsdag’, ‘De kompensatietheorie met betrekking tot de door machines verdrongen Arbeiders’ en ‘Opkomst van den industrieelen Kapitalist.’ In laatstgenoemd hoofdstuk lezen we hoe de met nationale titels (Bank of England) opgesmukte grote bankiershuizen, feitelijk niets anders zijn dan speculanten… Een feest voor de geest.

Ongelukkige verhouding
Ik ben trouwens blij dat ik voor de ‘overigheid’ werk, ook al hebben ambtenaren een wat ongelukkige verhouding met hun politieke bazen. Daar waar in een gewoon bedrijf de ondernemer zijn werknemers rekent tot zijn voornaamste kapitaal (zie Marx), presteren politici het om hun werknemers te schofferen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Overheidsdienaren deugen niet. Ze zijn lui, het zijn er per definitie teveel en ze willen niet vernieuwen. Niets is natuurlijk minder waar. Wie net als ik geruime tijd (25 jaar) voor de overheid werkt heeft alleen maar veranderingen meegemaakt en dan bedoel ik niet ‘slechts’ zoiets als de vervanging van de typemachine door de computer. Overheidsinstanties bezinnen zich voortdurend op hun taken en organisatie. Wat gaat er slecht? Hoe kan het beter? Dat heet ontwikkeling. De werknemers, de ambtenaren dus, werken doorgaans hard, zijn loyaal, goed opgeleid en betrouwbaar en volgen veranderingen op de voet of zijn zelf de motor achter veranderingen.
Een goed overheidsapparaat met een goede administratie vervult een spilfunctie in de democratie. De recht- en bewijszoekende burger kan een beroep doen op de betrouwbare en controleerbare overheid, die te allen tijde in staat is om verantwoording af te leggen. Corruptie is uit den boze. ‘Good governance’ wordt dat wel genoemd. In veel ontwikkelingslanden, waar juist corruptie de toon zet, weten ze precies wat ze missen.
Zonder bijvoorbeeld een goede bevolkingsadministratie weet je niet hoeveel scholen, ziekenhuizen en dergelijke je moet bouwen, kun je geen verkiezingen organiseren en kun je geen belasting heffen. Zonder kadaster kun je geen eigendomsrechten van een stuk land vastleggen. Zonder een goed georganiseerde bureaucratie staan de sluizen open voor corruptie en willekeur.

Recht op informatie
Zelf behoor ik tot de beroepsgroep der archivarissen. De goede zorg voor de administratie, het toezicht erop, het bewaren voor de eeuwigheid, het aan de man brengen van al die waardevolle informatie, fysiek of digitaal, dat is waar wij archivarissen goed in zijn. Archieven worden nogal eens weggezet in de hoek van het ‘erfgoed’. In de kern gaat het om informatie waarvan de gebruiker het doel en ook het etiket bepaalt. Een kaart uit de 17e eeuw die wordt gebruikt om de loop van een binnenwater in een stad te reconstrueren is een bron van informatie. Diezelfde kaart krijgt op een tentoonstelling van kaartenmakers uit de 17e eeuw de status van erfgoed.
Informatie is nutteloos als ze niet beschikbaar is. In ons vakgebied wordt volop gediscussieerd over openbaarheid, zelfs actieve openbaarheid. In de wereld van de digitale informatiehuishouding is de omloopsnelheid van informatie kort. Archivarissen streven naar duurzame opslag en snelle openbaarmaking. Het publiek heeft recht op informatie; het recht om te weten, dat dient de democratische rechtsorde. Het overheidshandelen moet transparant en controleerbaar zijn. Zo bezien zijn wij archivarissen/recordsmanagers, nobele strijders voor een goede zaak. Maar wat als de informatiehuishouding niet op orde is, als onduidelijk is wie wat hoe lang en waar bewaard? Papieren archieven kun je wegsmijten in een hoek, totdat ze worden aangeraakt, desnoods na jaren, door de ordenende en betoverende hand van de archivaris. Digitale informatie staat ergens op een harde schijf of op een stick en kan zomaar verdwijnen. Wat dat betreft is het zogenaamde ‘Nieuwe Werken’ dat de laatste jaren opgang maakt in overheidsland niet zonder risico. Het volgens afspraken (prestaties), tijd- en plaatsonafhankelijk werken bevordert het gesleep met laptops en sticks met overheidsinformatie, tenzij je vanaf elke plek kunt inloggen op een gemeenschappelijk documentmanagementsysteem.

Op waarde schatten
Bij digitalisering is het noodzakelijk om over gemeenschappelijke richtlijnen te beschikken: hoe digitaliseren we wat met welk doel? Onder meer dankzij het Nationaal Archief en Digitaal Erfgoed Nederland (DEN) zijn er richtlijnen ontwikkeld en een set aan verantwoordings- en kwaliteitsregels.
De recht en bewijszoekende burger en de wetenschapper moeten informatie kunnen duiden en op waarde kunnen schatten. Wat is de context, waar in de informatieketen bevind ik mij en hoe volledig is die keten? Die duiding is in de digitale wereld nog belangrijker dan in de papieren wereld. Papier biedt letterlijk houvast, de digitale wereld niet. Met behulp van zoekmachines kun je midden in een geschiedenistekst of archiefinventaris belanden. Je hebt zoekresultaten, maar wat is het logisch verband? Is er een logisch verband? Juist omdat digitale informatie eenvoudiger te manipuleren is, is verantwoording belangrijk. Wat hebben we hoe gedigitaliseerd?
Wanneer je even zorgvuldig opereert in de digitale als in de papieren wereld, juist dan leg je de basis voor verrijking en bewerkingen door het publiek, voor uitwisseling van informatie, discussie en gedachtevorming en dat bevordert het democratisch proces. De statische papieren werkelijkheid krijgt een niet te evenaren dynamiek in de digitale werkelijkheid, maar controleerbaarheid en betrouwbaarheid van informatie zijn in beide werelden onmisbaar. Een digitaal testament is zo gewijzigd!

In de (inter)nationale archiefwereld bestaat veel aandacht voor het elektronisch depot (e-depot), voor duurzame opslag van betrouwbare digitale informatie, als tegenhanger van de fysieke bewaarplaatsen. Het Gemeentearchief Rotterdam bijvoorbeeld beschikt over een e-depot. De ontwikkeling en inrichting van een e-depot is kostbaar en archiefinstellingen zullen dan ook moeten samenwerken voor beheer, behoud en beschikbaarstelling van digitaal geboren informatie.
Oplossingen voor betrouwbare digitale opslag van informatie strekken niet alleen de overheid tot voordeel, maar de hele maatschappij. Het is goed dat er door deskundige ambtenaren serieus aan deze problematiek wordt gewerkt.

Gekrakeel
Ooit was de samenleving kleiner en waren er minder ambtenaren, getooid met namen als ‘commies’, ‘referendaris’ en ‘schrijver.’ Nu zijn er directeuren, hoofden, managers, projectleiders, adviseurs en medewerkers. We zien een beweging naar de vorming van Shared Service Centra, waarbij regieorganisaties al dan niet verzelfstandigde facilitaire werkbedrijven aansturen. Dergelijke verzelfstandigingen leiden op papier tot minder ambtenaren, maar in de praktijk niet per se tot minder taken of minder bureaucratie, zie de spoorwegen en ProRail.
Een terugtredende en kleiner wordende overheid moet meer investeren in haar netwerken in de samenleving dan ooit tevoren. Als je wilt dat de burger zaken zelf doet, bijvoorbeeld ‘het openbare groen’ onderhouden, dan is een goed contact met de buurt, wijkcentra (?), noodzakelijk en zal je de burger moeten motiveren, enthousiasmeren en faciliteren. Goede communicatie en informatievoorziening zijn daarbij onontbeerlijk. De overheid moet geen gesloten bolwerk worden verscholen achter één digitaal loket en één telefoonnummer. In de netwerksamenleving kom je samen tot oplossingen en dat vereist dialoog.

Het huidige gekrakeel over het al dan niet vermeende overschot van ambtenaren leidt af van de kernzaak: de betrouwbare en controleerbare overheid. Een bezinning op de taken van de overheid, wat doet de overheid wel en wat niet, en hoeveel ambtenaren horen daarbij, is zinvol, maar daar horen geen diskwalificaties (‘lui’) bij. Integendeel, wil de overheid ook in afgeslankte vorm goede krachten behouden en aantrekken, dan mag er wel eens meer over de ambtenaar en het nut van zorgvuldige administratie worden gesproken in gunstige zin. Doe je dat niet, dan krijg je het overheidsapparaat dat niemand wil, de niet transparante bureaucratie waar willekeur heerst en waar Kafka de baas is. 

Rw.spork@rotterdam.nl, René Spork werkt bij het Stadsarchief van de Gemeente Rotterdam.


*Dit is een bewerkte en uitgebreide versie van mijn eerder in het Archievenblad (2011) verschenen artikel ‘Lang leve de ambtenaar.’