12 november 2014

Eén wet maakt nog geen zomer!

image for Eén wet maakt nog geen zomer! image

Na een kort welkomstwoord van hoofdredacteur Gert-Jan de Graaf en een voorstelrondje, stelt Gert-Jan aan de deelnemers van de Round Table een eerste vraag.

Na een kort welkomstwoord van hoofdredacteur Gert-Jan de Graaf en een voorstelrondje, stelt Gert-Jan aan de deelnemers van de Round Table een eerste vraag.

Waarom zou je aan actieve openbaarmaking moeten doen?
Tom Kunzler noemt de huidige Wob niet eenvoudig. Actieve openbaarmaking zal leiden tot minder informatieverzoeken en dat zal resulteren in veel minder kosten voor organisaties. René Spork vult aan door te stellen dat informatie van de burger is en door actieve openbaarmaking zal informatie een groter bereik kennen. Peter Blom gooit echter direct de knuppel in het hoenderhok door actieve openbaarmaking geen goed idee te vinden. “Want daarmee”, zo stelt hij, “ruim je op wat je in het begin fout hebt gedaan!” Je wilt namelijk informatie delen in het begin van het proces en dat vraagt om een redesign van het bestuurlijke proces aan de voorkant. Daarbij is ook het gedrag van organisaties bij het creatieproces van belang. Heb je dit op orde, dan is de hele discussie rondom actieve openbaarmaking geslecht. Oei! Betekent deze scherpe stellingname direct het einde van de Round Table? Nee, want Pieter Wisse doorbreekt de stilte door te pleiten voor een nieuw vertrekpunt: burger – overheid is een schijntegenstelling, want zo stelt hij: “De overheid is van de burger en de overheid is slechts een instrument.” André Plat vult hem aan: “De overheid is patriarchaal en iedereen moet toch over zijn eigen informatie kunnen beschikken?” De overheid dient daarbij het zelfregulerend vermogen te stimuleren. De vraag is echter of iedereen om kan gaan met de informatie. De overheid kan hier dan een begeleidende rol in spelen.

Betuttelplicht
Peter Blom vervolgt dat wanneer een burger niet goed omgaat met informatie, en het dus niet goed gaat met actieve openbaarmaking, de minister ter verantwoording wordt geroepen door de Kamer. Het gevolg is dat er dan weer maatregelen getroffen zullen worden die actieve openbaarmaking zullen inperken. Dit is een lastige afweging. De reikwijdte kan dus niet altijd overzien worden. Hoe reëel is actieve openbaarmaking dan? Pieter Wisse nuanceert door aan te geven het allemaal niet zo zwart-wit te zien. Hij vindt namelijk dat de burger aangesproken mag worden op haar verantwoordelijkheid. Dit aanspreken verhoogt automatisch de kennis en het inzicht van de burger. Nu is de balans zoek. Er is sprake van betuttelplicht en dat geeft de overheid een machtig gevoel. Marieke Schenk vindt de discussie aan tafel nu wel heel snel gaat en probeert deze af te remmen door aan te geven dat de overheid veel informatie heeft die zeer nuttig voor anderen kan zijn.

Informatie halen of brengen
Is er bij actieve openbaarmaking sprake van halen of brengen van informatie? Hoe actief is actief? Moet informatie gespamd worden of alleen op verzoek? Marieke Schenk trapt af door aan te geven dat informatie in ieder geval vindbaar en toegankelijk moet zijn. De gebruiker hoeft er niet om te vragen. Maar zegt ze: “Dat verschilt uiteraard wel per onderwerp.” Ook hoe gemeentes ermee om gaan speelt een rol. De overheid heeft een zorgplicht, vult Peter Blom aan, voor het vindbaar maken van informatie en dit maakt het lastig. Want wat voor de één nutteloze informatie kan zijn is voor de ander weer waardevol. Maar de overheid is wel beter dan de burger in staat om informatie te organiseren en te delen. En dan is met name het delen van beleidsinformatie interessant. Een verschuiving van economisch belang naar democratisch belang? Nee, volgens Pieter Wisse, want het belang van informatie wordt door de burger zelf bepaald. De overheid moet het belang niet bepalen, want dit werkt dan weer verstikkend.
Wil Rombout vraagt zich af of de overheid ruwe of edele data beschikbaar moet stellen. Hij is voorstander van het delen van edele data als het bij de taak hoort en anders niet. Pieter Wisse pleit voor beginsels in deze kwestie. Want stel dat de overheid zelf de wetten publiceert dan zijn uitgeverijen snel broodloos. Peter Blom vult aan met het voorbeeld van Elsevier dat elk jaar met een overzicht komt met top-onderwijsinstellingen. Dit overzicht werkt als een impuls voor de verdere ontwikkeling van deze instellingen. Kees Duijvelaar waarschuwt ook voor misinterpretatie van informatie als de context niet gekend wordt. Moet de overheid dan deze context verschaffen en verrijken? Hoe ver ga je dan als overheid, want je wilt als overheid niet teveel sturen/ manipuleren. Marieke Schenk geeft aan dat de overheid zich meer in een procesrol moet voegen. De overheid moet zich meer als burger gaan zien. Maar hoe doe je dat als je als overheid risicomijdend bent en hoe kom je af van ‘open tenzij’. Dit wordt bij OCW ‘beleidsintimiteit’ genoemd en vraagt om een cultuuromslag.

Actieve openbaarmaking. Hoe staat het er mee?
Volgens Tom Kunzler wisselt dit sterk per gemeente. Onbekendheid met het idee van openbaarheid speelt vaak een rol bij kleinere gemeentes. Grotere gemeentes zijn over het algemeen meer bekend met het idee van actieve openbaarmaking. Feit is dat informatieverstrekking de gemeente geld kost. Daarnaast zijn er grote verschillen (dat wil zeggen: in vorm en duur) in de aanlevering van informatie per gemeente.

Hoe graag willen we actieve openbaarmaking?
Op de vraag wat de verschillen zijn tussen de Woo (Wetsvoorstel open overheid) en de Wob blijft het verdacht lang stil aan tafel. De deelnemers komen niet verder dan het noemen van een informatieregister. Dat rechtvaardigt de vraag wat de Woo dan gaat veranderen als het er op lijkt dat de verschillen klein zijn. Willen we de Woo eigenlijk wel? Volgens Wil Rombout komt het doordat de prioriteiten van de overheid op een heel ander vlak liggen. De overheid is te taakgericht en zou veel meer moeten ontwikkelen naar informatie- en procesgericht denken en werken. Daar ligt een uitdaging! Hierdoor, is zijn mening, zal er meer begrip ontstaan over de waarde van openbaarheid dan bij taakgericht denken en werken. Wat daarbij onmisbaar is, is de tone at the top. Ontbreekt deze dan gaat er weinig veranderen. Cultuurverandering is namelijk een langdurend proces, ook bij de overheid en dat begint bij de top.

Met dit inzicht onderneemt André Plat een dappere poging om een route te creëren om tot een beleid rondom actieve openbaarmaking te komen. Het antwoord geven op de onderstaande vier vragen zal hierbij helpen.

  1. Is actieve openbaarmaking urgent?
  2. Is er een plan?
  3. Wat zijn de consequenties?
  4. Wie gaat het realiseren?

Want hoewel er dus geen urgentie lijkt te zijn, vinden we het wel belangrijk. Het advies luidt dan ook dat je het zelf urgent moet maken en niet laat maken. Kees Duijvelaar onderbouwt deze urgentie door te stellen dat door geen gebruik te maken van informatie het economische en democratische belang uit het oog wordt verloren. Andere landen halen ons in!
André Plat vraagt zich af of wij als DIV’er de consequenties van actieve openbaarmaking aankunnen. Los van een niet gevoerde cultuurdiscussie binnen de overheid. De Woo is een eerste stap in de goede richting, volgens Tom Kunzler. Het dwingt de overheid in ieder geval om erover na te gaan denken. Een wet is, in de ogen van Wil Rombout, echter niet de oplossing. Er moet ook sprake zijn van een intrinsieke motivatie en dito belang bij een organisatie. Is deze niet aanwezig dan verandert er niets. Tja, hoe doe je dat motivatie stimuleren? “SALARIS!”, roept Pieter Wisse triomfantelijk, tot grote hilariteit van de anderen.

Dus de aanpak leidt volgens twee sporen, namelijk via de wet en via het benadrukken van een intrinsieke motivatie en intrinsiek belang. Er is namelijk een groter doel te dienen en dat mag steviger benadrukt worden. Dit kan bereikt worden door het zelfbewustzijn van het archiefvak te stimuleren, stemvolwassen te maken en verder te professionaliseren.

Rol van de archivaris
De archivaris dient meer aan de voorkant te zitten, zegt Erika Hokke. Ze signaleert een spanning tussen opleiding en realiteit die beide actieve openbaarmaking toe-eigenen. Maar had Peter Blom niet eerder gezegd dat de oplossing voor actieve openbaarmaking bij de creatie ligt? Erika Hokke stelt hem gerust door aan te geven dat archivarissen de creatie ook als onderdeel zien van de archivering. Dus is, gelet op subvraag drie, de consequentie dat de archivaris moet emanciperen. Het besef bij de archivarissen is reeds aanwezig om steeds meer aan de voorkant van het proces te gaan opereren.

Het regelen van actieve openbaarheid in processen wordt als last gezien en Peter Blom vraagt zich hoe het gezien kan worden als kans. Hierbij is de positie van de archivaris van belang. De archivaris moet meer als een Chief Information Officer gaan optreden en op het snijvlak van ICT en business gaan opereren. Erika Hokke nuanceert: “Het gaat uiteindelijk om de juiste inrichting en niet waar en door wie.”

De associatie met het beroep van archivaris is meestal negatief, dus dat zal anders moeten gaan heten en de verantwoordelijkheid van het proces moet neergelegd worden bij de ambtelijke top. Een nieuwe functie is dan geboren. Die van CAO (Chief Archive Officer). Waarom niet? 

Edwin.driessen@afm.nl, Edwin Driessen is redactielid Od.