1 augustus 2010

Nieuwe hoogleraar Archivistiek

image for Nieuwe hoogleraar Archivistiek image

Zijn de studenten die nu de opleiding Archiefwetenschappen volgen de visionairs voor de toekomst? Hebben zij een beeld bij de informatiewereld over een x aantal jaren?

Zijn de studenten die nu de opleiding Archiefwetenschappen volgen de visionairs voor de toekomst? Hebben zij een beeld bij de informatiewereld over een x aantal jaren?
“Niemand weet hoe de informatiewereld er over een x aantal jaren uitziet. Maar als je als archivaris bent opgeleid, moet je wel de belangrijke ontwikkelingen kunnen signaleren en verklaren en vooruit kunnen kijken. Dat geldt voor archivarissen op academisch niveau en op hbo-niveau. Als je de archiefopleiding aan de UvA hebt gedaan, zul je je meer op onderzoek richten en kom je van de HvA dan ben je meer toepassingsgericht.”

CV Theo Thomassen

Opleiding

  • Archivistiek B aan de archiefschool, 1978-1979
  • Doctoraal Geschiedenis aan de Universiteit van Leiden, 1980-1985
  • Archivistiek A aan de Archiefschool, 1986-1987
  • Cum Laude gepromoveerd tot doctor in de archief- en informatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, december 2009

Betrekkingen

  • Archivaris bij het Algemeen Rijksarchief, 1979-1989
  • Directeur Archiefschool, 1989-1998
  • (vice) President ICA section on Archival Training and Education, 1992-2000
  • Eindredacteur Archival Science, 2002-2004
  • Lid commissie Archieven, Raad voor Cultuur, 2002-2007
  • Directeur Reinwardt academie, 2002-januari 2010
  • Hoogleraar Archiefwetenschap, januari 2010 tot heden

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat archief (Archiefwetenschappen) en DIV (Informatiewetenschappen) dichter bij elkaar komen?
“Wil je die twee werelden, ook bij de professionals, aan elkaar knopen, dan moet je brede professionals opleiden. In het archiefonderwijs zitten ze al aan elkaar vast. We krijgen hier mensen die de bachelor Culturele Informatiewetenschappen hebben gedaan, maar ook historici. Veel studenten werken al in de praktijk als ze de studie doen, zowel in het archiefwezen als in het recordsmanagement. De discussie over overeenkomsten en verschillen tussen beide werelden wordt hier dus voortdurend gevoerd. In die discussies gaat iedereen uit van dezelfde basis: de archivistiek.
Er zijn veel mensen die denken dat onderwijs, en dus ook onderwijs aan de universiteit, inhoudt dat je wordt verteld hoe dingen in elkaar zitten. Maar je hebt zelf ook van alles meegemaakt; je moet voortdurend dingen problematiseren, je moet geschoold raken in het je voortdurend afvragen of het wel zo is en niet anders kan. Vanzelfsprekendheden ter discussie stellen, vooroordelen herkennen en denkfouten en methodische fouten zien. Vooral leren nadenken over je vakgebied. En dat doen in samenspraak met studenten uit allerlei verschillende sectoren; de ervaring die zij meebrengen is van belang voor het leerproces. We proberen kritische professionals op te leiden, die verder kunnen kijken dan hun eigen werkomgeving.”

Hoe ziet u het opleiden van brede professionals terug in het huidige onderwijs aan de UvA, maar bijvoorbeeld ook bij de opleiding Archivistiek b aan de HvA?
“Vroeger werd de archiefwetenschap bijna alleen beoefend als een hulpwetenschap van de geschiedenis. Het archiefonderwijs was sterk op het oude archief gericht, ook toen er steeds meer les werd gegeven over ‘modern archief’ zoals dat toen werd genoemd. Intussen is in veel disciplines door de informatisering het accent verschoven van het object naar informatie over het object. Ook de archiefwetenschap is men als een informatiewetenschap gaan zien, een wetenschap die met andere informatiedisciplines verband hield. Parallel aan deze ontwikkeling kwam DIV ook steeds meer aan het oude archief vast te zitten. Daarom hebben we in de jaren negentig de archiefopleidingen in Amsterdam ingebed in de informatiewetenschap en de informatiekunde. Archivarissen krijgen nu een veel bredere opleiding. Ze worden opgeleid als informatieprofessionals die zich in archieven specialiseren, ongeacht of die archieven zijn overgedragen of niet.”

Veel DIV-organisaties hebben nu nog letterlijk een muur staan tussen de postregistratie en het archief. Het besef dat archief en DIV naar elkaar toe groeien is nog niet overal aanwezig.
“Je kunt niet van iedereen in de postregistratie verwachten de hele dag met ons collectieve geheugen bezig te zijn. Veel archivarissen in het openbaar archiefwezen richten zich helemaal op de erfgoedkant en de historische publieksfunctie en niet op de informatiewetenschappelijke kant van de professie. Dat er nu archivarissen op de markt zijn gekomen die van beide markten thuis zijn, betekent niet dat alle recordmanagers archivarissen moeten zijn en omgekeerd. In de jaren negentig leek het alsof de beroepsbeoefenaren in de DIV en het openbaar archiefwezen één professie zouden worden. Ik heb daar ook wel eens over geschreven, maar dat vind ik nu te simpel. De kolonisatie van recordmanagement door archivarissen, daar ben ik van teruggekomen. Dat is misschien ook een beetje aanmatigend. Je hebt professionals nodig die zowel met de bewijs- en verantwoordingsfunctie van archief als met de maatschappelijke geheugenfunctie van archieven kunnen omgaan, maar ook vakmensen die op het uitvoerende niveau in ingewikkelde archiveringsystemen de weg weten. Als die in een overwegend digitale omgeving op basis van dezelfde archivistische principes goed met elkaar samenwerken, verdwijnen die muren wel.”

Theo Thomassen
Theo Thomassen

Er is nu op sommige plekken een discussie ontstaan over eerdere overdracht naar openbare archiefbewaarplaatsen (de recente ontwikkelingen over het landelijke stelsel van e-depots) en eerdere openbaarheid van overheidsdocumenten. Hoe staat u in deze discussie?
“Ik ben net als elke archivaris een groot voorstander van openbaarheid van overheidsarchieven. Van mij mag overheidsinformatie sneller openbaar worden door een verruiming van het regime van de Wet openbaarheid bestuur of door versnelde overbrenging. Tegelijkertijd moeten archivarissen de belangen in het oog houden die door openbaarheid kunnen worden geschaad en die worden beschermd door uitzonderingsbepalingen in de Archiefwet, de Wet openbaarheid bestuur en de Wet bescherming persoonsgegevens. Een van de belangrijkste eisen die aan archivarissen mag worden gesteld is dat ze een verantwoorde afweging kunnen maken tussen openbaarheid en privacy.”

Hoe kijkt u aan tegen recente ontwikkelingen in het recordsmanagement?
“We proberen de overload aan digitale informatie die tussen overheid en burgers wordt geproduceerd en uitgewisseld in goede banen te leiden door werkprocessen en de daaraan gebonden informatie te standaardiseren en in steeds grotere systemen met elkaar te verbinden. Die benadering werkt voor standaardproductieprocessen, maar heeft voor beleidsprocessen haar langste tijd gehad. Je kunt niet onder ambtenaren het Nieuwe Werken propageren en hen tegelijkertijd vragen elk simpel document van twintig metadata te voorzien en in een alomvattend gestandaardiseerd ordeningssysteem op te slaan. Vaak gebeurt het in de praktijk ook gewoon niet. Je ziet nu al gebeuren dat de DIVafdeling zegt: ‘Oké, doe nu maar hoe jij het wilt, als ik dat en dat maar van je krijg’. DIV stelt nog wel de randvoorwaarden, maar gaat verder weer aan de achterkant van het werkproces zitten. Zo kun je uiteindelijk in het recordmanagement bij de dezelfde overheidsorganisatie verschillende archiveringsregimes krijgen. Dat lijkt me een goede ontwikkeling.”

Wat is volgens u dan nu het grootste probleem?
“Het grote probleem zit hem in de politiek en het verantwoordingssysteem dat we nu hebben. Als je kijkt naar een minister; die is verantwoordelijk voor alles wat zijn ambtenaren zeggen en doen en dat is nogal wat. De ambtenaar moet steeds vaker zijn neus buiten de deur steken, die zit ook in netwerken en informele circuits, die zit te bloggen en te twitteren of is actief op een 2.0 community. Daar is de minister allemaal verantwoordelijk voor. Ik hoorde laatst collega’s in de DIV archief definiëren als alles waar je op kan worden aangesproken. Geen wonder dat DIV uit zijn jasje groeit! Ik geloof heel sterk dat je toe moet naar een systeem met zwaardere en lichtere verantwoordingsregimes en dus ook zwaardere en lichtere archiveringsregimes. Je krijgt dan een netwerkorganisatie met recordsmanagers die op de knooppunten voor de informatietransfer verantwoordelijk zijn en erop toezien dat de informatie die wordt aangeleverd aan specifieke eisen voldoet. Bij de overheid gaat het erom dat je kan verantwoorden tegenover je opdrachtgever en de burger, in de manier waarop dat gebeurt kun je differentiëren.”

Hoe kan de archiefwetenschap bijdragen aan een betere informatiehuishouding van de overheid?
“Je kunt deze vraag heel kort beantwoorden. Als archiefwetenschap de wetenschappelijke basis is voor een groot deel van de informatievoorziening, dan kun je in de informatiehuishouding niet zonder archiefwetenschap. Zeker niet als je de ontwikkelingen wil analyseren en sturen. De archiefwetenschap gaat over de ontwikkeling en toepassing van theorieën en methoden. Er wordt wel eens gezegd: dat is theoretisch en dus niet praktisch. Maar het tegendeel van praktisch is niet theoretisch, maar onpraktisch. Een goede theorie die je goed toepast, kan heel praktisch zijn. Mensen hebben een heel verheven idee over wat wetenschap is, maar het is gewoon problemen oplossen op een bepaald abstractieniveau.”

Op 15 september houdt u uw oratie aan de Universiteit van Amsterdam; waar gaat deze over, kunt u al een tipje van de sluier oplichten?
“Mijn oratie gaat over archiefwetenschap, erfgoed en politisering. Archivarissen zijn niet gewend om een scherpe grens te trekken tussen professionele en politieke doelstellingen. Die domeinen raken steeds meer verstrengeld. Velen beschouwen bijvoorbeeld vergroting van het publieksbereik als een professionele doelstelling, terwijl het een politieke doelstelling is. Ik ben ook voor het bereiken van een groter publiek, maar dat heeft op zich niets met mijn vak te maken. Hetzelfde geldt voor identiteitsbeleving. Archieven zouden het groepen in de samenleving mogelijk moeten maken om hun identiteit te beleven. Ik vind het prima, maar ook dat is een politieke doelstelling. Een archivaris mag daar wel aan meewerken, maar hij moet er tegelijkertijd wel voor zorgen, dat archieven ook voor andere doelstellingen kunnen worden gebruikt. Dat overgebrachte archieven worden gedefinieerd als erfgoed is gevaarlijk. Erfgoed is namelijk ook een politieke categorie. Erfgoed gaat niet over de geschiedenis, maar over hoe je overgebrachte archieven nu (in het heden) gebruikt. Dat is beeldvorming en geen geschiedenis. Overgedragen archieven zijn geen erfgoed, het zijn bronnen van historisch onderzoek. Het wordt pas erfgoed als groepen mensen er een generatieoverstijgende symboolfunctie aan geven.
Het is een professionele taak van de archivaris om archief te waarderen. Hij moet interpreteren, maar tegelijkertijd de interpretatiemogelijkheden van het archief zo groot mogelijk maken. Als professional moet hij voortdurend professionele keuzes maken en verantwoorden: bij de acquisitie, ontsluiting, beschikbaar stellen en publicatie op het internet. Hij moet daarbij kritisch staan tegenover politieke doelstellingen en de mogelijkheid openlaten om een andere keuze te maken.”

Op 15 september om 16.00u. houdt Theo Thomassen zijn oratie in de aula van de Universiteit van Amsterdam

 

a.adema@gmail.com